Het aantal mensen dat na een werkloosheidsuitkering in de bijstand terechtkomt is de afgelopen vijf jaar ruim verdubbeld. Dit blijkt uit maandag gepubliceerd onderzoek van uitkeringsinstantie UWV.
Het aantal WW'ers dat doorstroomt naar de bijstand steeg van bijna 14.000 in 2008 naar bijna 31.000 in 2013. In dezelfde periode is ook het aantal lopende WW-uitkeringen meer dan verdubbeld, aldus UWV. Laagopgeleiden, 55-plussers en alleenstaanden hebben de grootste kans om in de bijstand te komen na de WW.
Nasleep van de crisis
Naar verwachting neemt de doorstroom van de WW naar de bijstand dit en volgend jaar nog licht toe. De economische crisis en de nasleep ervan zorgen dat meer mensen na de WW-uitkering in de bijstand terecht komen.
Een op de zes WW'ers die de maximale uitkeringsduur bereikt, stroomt door naar de bijstand. Het 'doorstroompercentage' daalde aan het begin van de crisis (2008-2010) en is sindsdien stabiel, stelt UWV.
De uitkeringsinstantie ziet met name in delen van de Randstad, Groningen, Friesland en Gelderland procentueel meer WW-gerechtigden in de bijstand komen.
Bron: De Telegraaf van 27 oktober
Berichten over misstanden, constraints en
belemmeringen in de gezondheidszorg en
nonprofit.
Pagina's over bedrijfskunde, social media en
mijn projecten
dinsdag 28 oktober 2014
dinsdag 26 augustus 2014
Vrijwilliger veroorzaakt meer werkloosheid
"DEN HAAG (ANP) - 26-08-2014. Bron: Sprout
Mensen met betaald werk worden steeds vaker verdrongen door onbetaalde krachten, al dan niet met behoud van uitkering. Daardoor ontstaat een groot maatschappelijk probleem", waarschuwt vakbond CNV Publieke Zaak dinsdag.
Het gevolg is dat er een groep 'nieuwe werklozen’ ontstaat. Ook neemt de kwaliteit van dienstverlening af. Goedkoop voor de werkgever, maar niet voor de maatschappij als geheel, stelt CNV. De bond doet "een klemmend beroep" op het kabinet om de maatschappelijke effecten van verdringing te onderzoeken en hier paal en perk aan te stellen.
Volgens CNV gaat het vaak om oudere werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt en vervolgens alleen vrijwillig of in laaggeschoolde arbeid aan de slag kunnen. Omdat bedrijven liever onbetaalde krachten aannemen kunnen jonge mensen met een diploma volgens de bond geen betaald werk vinden.
Mensen met betaald werk worden steeds vaker verdrongen door onbetaalde krachten, al dan niet met behoud van uitkering. Daardoor ontstaat een groot maatschappelijk probleem", waarschuwt vakbond CNV Publieke Zaak dinsdag.
Het gevolg is dat er een groep 'nieuwe werklozen’ ontstaat. Ook neemt de kwaliteit van dienstverlening af. Goedkoop voor de werkgever, maar niet voor de maatschappij als geheel, stelt CNV. De bond doet "een klemmend beroep" op het kabinet om de maatschappelijke effecten van verdringing te onderzoeken en hier paal en perk aan te stellen.
Volgens CNV gaat het vaak om oudere werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt en vervolgens alleen vrijwillig of in laaggeschoolde arbeid aan de slag kunnen. Omdat bedrijven liever onbetaalde krachten aannemen kunnen jonge mensen met een diploma volgens de bond geen betaald werk vinden.
donderdag 21 augustus 2014
HOE VERMINDER JE HET AANTAL MENSEN IN DE BIJSTAND (WWB)?
Het is tijd voor een paradigmashift over uitkeringsgerechtigden.
Ruim 1 miljoen uitkeringsgerechtigden in de WWB en Wajong worden de laatste tijd systematisch weggezet als onwillig om (weer) aan het werk te gaan.
Was bijstand ooit een wettelijk grondrecht voor hen die niet in hun bestaan kunnen voorzien, nu is het een gunst geworden, waar een tegenprestatie tegenover gesteld moet worden.
Die tegenprestatie verwordt op veel plaatsen tot een wedstrijdje uitkeringstrekkers pesten: de sollicitatieplicht en de strafkorting voor de niet goed geklede sollicitant zijn vaak alleen maar frustrerend.
Want laten we wel wezen: uitkeringsgerechtigden moeten op de arbeidsmarkt concurreren met mensen die zoeken vanuit een baan, met pas afgestudeerden en ervaren ouderen, met ZZP-ers, mensen in de WW en een groeiende groep vrijwilligers.
Een groot deel van de mensen in de Bijstand zoekt een baan aan de onderkant van het loongebouw. Dat deel staat juist onder zware druk. Eenvoudige administratieve functies gaan naar het buitenland, chauffeurs en appelplukkers halen we uit het Oostblok, de robots rukken op, al langer in de industrie, maar nu ook in de zorg. De alfahulp en de mantelzorger zijn het goedkope alternatief voor de verzorgende, op de buurtbus rijdt een vrijwilliger, enz.
De keuzes voor een sollicitant worden gemaakt door het bedrijfsleven en non-profit organisaties.Beide staan onder zware financiële druk en kiezen daardoor gedwongen voor veiligheid.
Dat maakt de kansen voor mensen, die al een tijd buiten het arbeidsproces staan, vaak met een handicap, bijzonder klein.
Daar helpt geen cursus netwerken, CV opleuken of een knappe outfit bij.
Wat doen de gemeenten om die uitkeringsgerechtigden te helpen? Ze tuigen een Sociale dienst op, die vooral bezig is met uitkeringen verstrekken, het tegengaan van misbruik en het opsporen van fraude. Vrijwilligerswerk wordt ontmoedigd, reïntegratiebudgetten worden gekort.
Daarmee creëer je geen banen, maar vooral apathie en lethargie.
Uitgangspunten zijn:
We hebben nu een heel ambtelijk apparaat opgezet, gericht op het beoordelen, verstrekken en controleren van uitkeringen. Stel dat de helft van die ambtenaren zich gaat bezig houden met faciliteren en ondersteunen, met het verkennen van de markt voor werk en vrijwilligers.
Dat zal het elan van ambtenaren, uitkeringsgerechtigden en ondernemers aanmerkelijk verbeteren en is mogelijk nog goedkoper ook.
Durft u het gesprek aan te gaan, in uw sociale dienst, uw gemeente, met WWB-ers en anderen en met het bedrijfsleven en de non-profit.
In onze coöperatie “Sociale en maatschappelijke innovatie” barsten we van de ideeën hoe dit mogelijk te maken.
Ruim 1 miljoen uitkeringsgerechtigden in de WWB en Wajong worden de laatste tijd systematisch weggezet als onwillig om (weer) aan het werk te gaan.
Was bijstand ooit een wettelijk grondrecht voor hen die niet in hun bestaan kunnen voorzien, nu is het een gunst geworden, waar een tegenprestatie tegenover gesteld moet worden.
Die tegenprestatie verwordt op veel plaatsen tot een wedstrijdje uitkeringstrekkers pesten: de sollicitatieplicht en de strafkorting voor de niet goed geklede sollicitant zijn vaak alleen maar frustrerend.
Want laten we wel wezen: uitkeringsgerechtigden moeten op de arbeidsmarkt concurreren met mensen die zoeken vanuit een baan, met pas afgestudeerden en ervaren ouderen, met ZZP-ers, mensen in de WW en een groeiende groep vrijwilligers.
Een groot deel van de mensen in de Bijstand zoekt een baan aan de onderkant van het loongebouw. Dat deel staat juist onder zware druk. Eenvoudige administratieve functies gaan naar het buitenland, chauffeurs en appelplukkers halen we uit het Oostblok, de robots rukken op, al langer in de industrie, maar nu ook in de zorg. De alfahulp en de mantelzorger zijn het goedkope alternatief voor de verzorgende, op de buurtbus rijdt een vrijwilliger, enz.
De keuzes voor een sollicitant worden gemaakt door het bedrijfsleven en non-profit organisaties.Beide staan onder zware financiële druk en kiezen daardoor gedwongen voor veiligheid.
Dat maakt de kansen voor mensen, die al een tijd buiten het arbeidsproces staan, vaak met een handicap, bijzonder klein.
Daar helpt geen cursus netwerken, CV opleuken of een knappe outfit bij.
Wat doen de gemeenten om die uitkeringsgerechtigden te helpen? Ze tuigen een Sociale dienst op, die vooral bezig is met uitkeringen verstrekken, het tegengaan van misbruik en het opsporen van fraude. Vrijwilligerswerk wordt ontmoedigd, reïntegratiebudgetten worden gekort.
Daarmee creëer je geen banen, maar vooral apathie en lethargie.
EEN NIEUWE MANIER VAN DENKEN
Ik pleit voor een nieuwe manier van denken bij de Sociale Dienst en de gemeenten.Uitgangspunten zijn:
- de acceptatie dat voor een belangrijk deel van de WWB-ers de weg naar de arbeidsmarkt voorlopig onhaalbaar is.
- de overtuiging, dat de meeste WWB-ers liever vandaag dan mogen uit de uitkering willen.
- stimuleren van de eigen kracht van mensen met een uitkering
- In plaats van focussen op werk, stimuleren van maatschappelijke participatie. Ruimte maken voor vrijwilligerswerk, voor mantelzorg, voor de participatiesamenleving.
- Uitgaan van vertrouwen in plaats van het nu getoonde permanente wantrouwen, dat alleen maar misbruik uitlokt.
- Het daarbij omdraaien van de Pareto-regel. Nu geldt, dat 80% van de WWB-ers onbetrouwbaar is. Laten we dat veranderen in 80% is betrouwbaar. Sluit contracten met WWB-ers, gebaseerd op vertrouwen en beperkte controle en strengere straffen bij misbruik.
- Ga van controle bij uitkeringsgerechtigden en werkgevers naar partnership met hen.
- Denk minder in regels, meer in kansen.
- Verander ambtelijk denken in ondernemend denken.
- Focus op het creëren van werk en op het stimuleren van werkgevers i.p.v. op de uitkeringsgerechtigden.
- Ga van handhaving naar faciliteren en van denken in uitkeringen naar stimuleren van (onbetaald) werk.
- Stop met ontmoedigen, ga aanmoedigen, zowel voor werkgevers als uitkeringsgerechtigden.
- Ontwikkel snel een strategie rond verdringing. Besef dat de arbeidsmarkt totaal verandert en dat oud denken, waarin alles als verdringing gezien wordt, niet meer van deze tijd is.
We hebben nu een heel ambtelijk apparaat opgezet, gericht op het beoordelen, verstrekken en controleren van uitkeringen. Stel dat de helft van die ambtenaren zich gaat bezig houden met faciliteren en ondersteunen, met het verkennen van de markt voor werk en vrijwilligers.
Dat zal het elan van ambtenaren, uitkeringsgerechtigden en ondernemers aanmerkelijk verbeteren en is mogelijk nog goedkoper ook.
Durft u het gesprek aan te gaan, in uw sociale dienst, uw gemeente, met WWB-ers en anderen en met het bedrijfsleven en de non-profit.
In onze coöperatie “Sociale en maatschappelijke innovatie” barsten we van de ideeën hoe dit mogelijk te maken.
maandag 2 juni 2014
Het failliet van de Nederlandse werklozenindustrie
Soms/ regelmatig schrijft iemand op, wat je zelf al langer zat te denken.
Het stuk van Rutger Bregman van de Correspondent bevestigde mijn ideeën over reïntegratieprogramma's. Ik citeer het hier dan ook graag met dank aan Rutger voor zijn zoektocht naar antwoorden
Meer dan 6,5 miljard euro. Zoveel geeft de Nederlandse overheid ieder jaar uit om werklozen aan een baan te helpen. Over de effectiviteit zijn twee dingen bekend: óf het helpt nagenoeg niets, óf het is onduidelijk of het helpt. Waarom blijven we er dan toch halsstarrig in geloven?
We geven er meer dan 6,5 miljard euro per jaar aan uit. Dat is ongeveer evenveel als we overhebben voor onze universiteiten. Of voor defensie. Het verschil? Bijna niemand maakt zich druk over deze kostenpost, die ook niet echt een opwindende naam heeft: ‘Activerend arbeidsmarktbeleid.’ Dat wil zeggen: alles wat we doen om werklozen aan een baan te helpen - of het nu een sollicitatietraining of een gesubsidieerde werkplek is. Er is bijna geen land dat hier zoveel geld aan uitgeeft als Nederland.
Zie deze cijfers van de OESO.
Tsja. Een studie uit 1996 liet al zien dat intensieve begeleiding van werklozen weinig uithaalt, het Centraal Planbureau concludeerde in 2000 dat scholing en bemiddeling weinig opleveren en een grote meta-analyse van 93 Europese programma’s uit 2008 droeg de veelzeggende titel ‘Activerend arbeidsmarktbeleid is vaak niet effectief.’ Bekijk deze studie hier. Bij maar liefst de helft van alle programma’s werd geen of zelfs een negatief effect gevonden.
De schrijver van het laatste artikel, hoogleraar economie Frank den Butter, moet even grinniken als ik hem vraag wat al die cursussen en trajecten opleveren. ‘Vrijwel niets. Het is een doekje voor het bloeden.’ Als ik het vraag aan Bas van der Klaauw, hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit en dé expert op dit gebied, is het even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Er is vooral veel beleid waarvan we niet weten wat het oplevert.’ Jouke van Dijk, hoogleraar regionale arbeidsmarktanalyse in Groningen, stemt in: ‘Het helpt hoogstens een héél klein beetje. En soms werkt het averechts.' Collega Jan van Ours (hoogleraar arbeidseconomie in Tilburg) vertelt dat hij tijdens zijn colleges graag Nobelprijswinnaar James Heckman mag citeren:
‘Zero is not a bad number.’
Het is niet dat er weinig geprobeerd is. In de afgelopen jaren kwam er van alles voorbij, van Melkertbanen tot werkcoaches, van intensieve trajectbegeleiding tot uitstroompremies. Maar vrijwel niets is fatsoenlijk geëvalueerd. En als dit wel gebeurde, was het resultaat meestal negatief. In 2001 verscheen een rapport van het ministerie van Sociale Zaken met de conclusie: ‘Scholingsinstrumenten (…) blijken niet erg effectief bij de reïntegratie van werkzoekenden.’ Bekijk de evaluatie hier. De ambtenaren pleitten in het rapport voor meer onderzoek. Tevergeefs.
In plaats daarvan werd een groot deel van de reïntegratie-industrie geprivatiseerd. ‘Alles moest aan de markt worden overgelaten,’ vertelt Van der Klaauw. ‘Die zou het allemaal beter kunnen.’ Maar al snel deden de gekste verhalen de ronde, van werklozen die onder begeleiding van een reïntegratieconsulent wekelijks een rondje om de Amsterdamse Sloterplas moesten wandelen, tot werklozen die aan hun zelfvertrouwen werkten met pony’s. Een enkel reïntegratiebureau maakte zelfs gebruik van tarotkaarten. Het toppunt waren de ‘Vier van Vier Miljoen,’ uit Oost-Groningen. Inderdaad: vier werklozen die voor vier miljoen aan een baan waren geholpen. Zembla maakte hier een reportage over.
‘Er zijn een paar mensen heel rijk van geworden,’ zucht Van der Klaauw. ‘Maar de effectiviteit lijkt er door privatisering niet op te zijn vooruitgegaan.’ Sterker nog, in 2010 ontdekte de hoogleraar samen met zijn collega Stephen Kastoryano dat deelname aan een commercieel reïntegratietraject (kosten: 4.000 euro) de werkloosheid verlengt. In zijn oratie concludeert hij droogjes dat het ‘niet absurd is om te veronderstellen dat werklozen zelf een veel beter idee hebben over welk werk geschikt is.’
En nu?
Eigenlijk zouden er ‘randomized controlled trials’ Lees hier mijn stuk over hoe deze methode bij ontwikkelingshulp wordt toegepast. moeten plaatsvinden, waarbij een willekeurig samengestelde groep de ‘behandeling’ krijgt (een sollicitatietraining bijvoorbeeld) en een vergelijkbare controlegroep met rust wordt gelaten. Alleen dan kun je zien of een interventie effectief is geweest.
Maar helaas, slechts vier van de 93 programma’s uit de metastudie van professor Den Butter had een controlegroep, en uit drie daarvan bleek dat het beleid ineffectief was. De laatste keer dat een Nederlands programma met een gerandomiseerd experiment werd geëvalueerd is zestien jaar geleden, in 1998.
Een beetje gênant is het wel. In een Europese evaluatie van een paar jaar terug lezen we: ‘Nederland heeft geen traditie waarin beleid van begin af aan wordt geëvalueerd. Veel grootschalige programma’s zijn nooit onderzocht. […] Nog opvallender is dat veel beleid geen goed gedefinieerde en onderbouwde doelstelling heeft.’ De Europese evaluatie vind je hier. Volgens de onderzoekers komt het in Nederland ‘niet zelden’ voor dat een programma maar één doel heeft: geld uitgeven.
Het wordt dan ook nog pijnlijker als we het over de kosteneffectiviteit hebben. ‘Je bent al een heel knappe klantmanager als je iemand twee weken sneller aan het werk krijgt,’ vertelt Van der Klaauw. ‘Dan bespaar je zo’n 400 euro. Maar wat kost de begeleiding door de klantmanager?’
In 2008 kwam professor Jouke van Dijk met een bizarre rekensom: de reïntegratie van één langdurig werkloze kost gemiddeld 537.000 euro. Dat zijn meer dan vijftien modale jaarsalarissen. Toenmalig staatssecretaris Ahmed Aboutaleb (Sociale Zaken, PvdA) en zijn partijgenoot, de Amsterdamse wethouder Freek Ossel, reageerden woedend op deze berekening. ‘Mensen moeten een taaltraining doen, van hun verslaving worden afgeholpen en zelfvertrouwen opbouwen,’ brieste de laatste. ‘Dat zijn trajecten van jaren, die forse investeringen vergen en je hebt geen garantie dat het lukt.’
Maar hoeveel mag het kosten?
Professor Jan van Ours heeft zijn conclusies getrokken. ‘[Dit is] het blind offeren van miljarden euro’s op het altaar van het actieve arbeidsmarktbeleid.’ Dat concludeert hij in dit artikel. En het treurige is: sinds 2008 is de uitstroom van reïntegratietrajecten naar betaald werk nog verder afgenomen. Zie deze cijfers van het CBS. De Rekenkamer hamerde er bij de begroting van vorig jaar op dat het nu eindelijk eens tijd werd voor een fatsoenlijke evaluatie. In de droge taal van de rekenmeesters: ‘De minister kan nog niet voldoende inzichtelijk maken wat het effect is van de uitgaven voor reïntegratieactiviteiten.’ Zie het commentaar van de Rekenkamer hier.
Toch is er ook goed nieuws. Na een motie van de SP en de VVD is er in 2012 zowaar een groot experiment gestart waarbij in zeven gemeenten allerlei vormen van activerend beleid worden onderzocht. Mét controlegroepen. Het enige probleem: de resultaten hadden er begin 2013 al moeten zijn. Een woordvoerder van het Ministerie van Sociale Zaken meldt dat het nog wel een paar maanden kan duren.
Eén vraag blijft moeilijk te beantwoorden: waarom besteden we al jarenlang miljarden aan beleid dat niet of nauwelijks helpt?
Misschien heeft het iets met de perceptie van werkloosheid te maken. Zelfs nu bijna 700.000 mensen zonder werk zitten, (en het getal ligt veel hoger, SH)wordt de oplossing bij het individu gezocht. Geloofden we vroeger nog in de maakbaarheid van de samenleving, nu is er het maakbare individu. Er is een politiek verbond rondom ontstaan. Links wil werklozen zoveel mogelijk ondersteunen, rechts wil ze zo snel mogelijk van hun uitkering afhelpen.
Wat ook meespeelt: politici willen gewoonweg iets doen, of het nu helpt of niet. Een paar maanden geleden lanceerde minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) een nieuw actieplan: ‘55PlusWerkt.’ Budget: 39 miljoen euro. Ongeveer 45.000 werkloze senioren krijgen een ‘netwerktraining’ waarbij ook hun ‘sollicitatie- en presentatievaardigheden’ worden opgepoetst. Een controlegroep is er niet, dus of het project effect sorteert zullen we nooit weten.
Er is wel een donkerbruin vermoeden.
‘Sommige mensen vinden dat je niet mag experimenteren met werklozen,’ zegt prof. Van der Klaauw. ‘Maar dat doen we al jaren, alleen leren we er niets van.’ Bij vlagen klinkt de hoogleraar cynisch. ‘Politici willen gewoon hun speeltjes. Als de werkloosheid straks daalt, roepen Klijnsma en Asscher dat het door hun beleid komt. Zonder enig bewijs.’ Collega-hoogleraar Jan van Ours stemt in: ‘Politici zijn niet geïnteresseerd in de effectiviteit van hun beleid. Ze zeggen liever: 'Kijk, ik heb 100 miljoen uitgegeven. Zie je wel dat ik iets doe?'' Frans Leeuw, hoogleraar sociologie in Maastricht, heeft hier eens een mooie term voor bedacht: beleidshomeopathie.
Neem de poging van Mirjam Sterk, ‘ambassadeur jeugdwerkloosheid’, om 10.000 jongeren in vijf weken aan een baan te helpen (via uitzendbureau Randstad). Het werden er 8.281. ‘Die banen waren er zonder haar ook gekomen,’ schampert Jouke van Dijk. ‘Maar ja, nietsdoen is geen optie hè?’ Teken aan de wand: Randstad wilde niet zeggen hoeveel jongeren het normaliter aan een baan helpt. Arbeidseconoom Ronald Dekker rekende het daarom zelf maar uit: ongeveer 20.000 per maand. Het waren dus relatief slechte weken geweest bij Randstad, maar de actie van Mirjam Sterk was goede reclame voor het uitzendbureau en het kabinet.
Rest de vraag: van welk beleid weten we dat het wél werkt?
Wie zich door de (internationale) onderzoeken Zie bijvoorbeeld deze evaluatie. van de afgelopen jaren worstelt, komt drie standaardopties tegen. De eerste is de confrontatie. Zo worden Deense werklozen bij elkaar gezet in zogenoemde ‘meetings’ om elkaar te vertellen over hun werkloze bestaan. ‘Het is behoorlijk confronterend om de hele dag te luisteren naar mensen zonder werk,’ vertelt Van der Klaauw. Dan liever aan de bak, redeneren veel mensen.
Sterker nog, hoe verder iemand naar zo’n ‘meeting’ moet reizen, hoe groter de kans dat hij aan het werk gaat. Een korting op de uitkering voor iedereen die niet hard genoeg naar werk zoekt, kan ook helpen. De dreiging is vaak al genoeg, maar er is wel een nadeel: gestrafte werklozen accepteren vaker werk onder hun niveau.
De tweede optie is de loonkostensubsidie, en dan met name voor banen in de private sector. In dit geval betaalt de overheid een deel van het loon. Er is aardig wat bewijs dat het werkt, al moet er wel worden opgelet dat er geen banen worden gesponsord die sowieso wel gecreëerd zouden worden. Subsidieverslaving ligt op de loer.
Tot slot kan scholing werken, mits aan heel wat voorwaarden wordt voldaan. Dan heb ik het niet over wandelingetjes om de Sloterplas, maar over het trainen van vaardigheden waar daadwerkelijk vraag naar is. Een kortdurende training die helpt bij het vervullen van een vacature - liefst al meteen in samenwerking met een potentiële werkgever - levert soms een goed resultaat op.
Maar geen illusies: uiteindelijk zijn de economische groei, het begrotingsbeleid en de technologische veranderingen veel belangrijker bij de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Voor de drie bovenstaande opties geldt dat we het over hoogstens een paar procent extra baankans hebben. Dat blijkt ook uit deze overzichtsstudie van onderzoeksbureau SEO. Succes is nooit gegarandeerd. Iedere regio is anders, net als iedere periode en iedere werkloze. Van Ours stelde in de jaren negentig voor om bij elke beleidsmaatregel 1 procent van het budget te reserveren voor de (wetenschappelijke) evaluatie. Dat lijkt hem, twintig jaar na dato, nog steeds een goed idee.
Vorig jaar maakte Asscher bekend dat hij nog eens 600 miljoen uittrekt voor een extra ‘banenplan’. Het ministerie van Sociale Zaken publiceerde vervolgens een ‘menukaart' Bekijk de menukaart hier. van maatregelen waar werkgevers subsidie voor kunnen aanvragen.
Trefwoorden: arbeidsbemiddeling, transitiefonds, transfercentrum, sollicitatietraining, coaching, loopbaancheck- en advies en gezondheidsverbetering.
Effectiviteit: onbekend.
Toch stond er een lichtpuntje op het menu. Want wat lezen we daar, helemaal onderaan: ‘Om te weten wat werkt en wat niet, is soms onderzoek nodig en moeten experimenten worden uitgevoerd.’
En ja, ook daar kan subsidie voor worden aangevraagd.
Zie ook het stuk "Meer bewijs waarom 'activerend arbeidsbeleid' niet werkt"van Jesse Freriks van de Correspondent.
Het stuk van Rutger Bregman van de Correspondent bevestigde mijn ideeën over reïntegratieprogramma's. Ik citeer het hier dan ook graag met dank aan Rutger voor zijn zoektocht naar antwoorden
Meer dan 6,5 miljard euro. Zoveel geeft de Nederlandse overheid ieder jaar uit om werklozen aan een baan te helpen. Over de effectiviteit zijn twee dingen bekend: óf het helpt nagenoeg niets, óf het is onduidelijk of het helpt. Waarom blijven we er dan toch halsstarrig in geloven?
We geven er meer dan 6,5 miljard euro per jaar aan uit. Dat is ongeveer evenveel als we overhebben voor onze universiteiten. Of voor defensie. Het verschil? Bijna niemand maakt zich druk over deze kostenpost, die ook niet echt een opwindende naam heeft: ‘Activerend arbeidsmarktbeleid.’ Dat wil zeggen: alles wat we doen om werklozen aan een baan te helpen - of het nu een sollicitatietraining of een gesubsidieerde werkplek is. Er is bijna geen land dat hier zoveel geld aan uitgeeft als Nederland.
Zie deze cijfers van de OESO.
Maar levert het ook wat op?
Tsja. Een studie uit 1996 liet al zien dat intensieve begeleiding van werklozen weinig uithaalt, het Centraal Planbureau concludeerde in 2000 dat scholing en bemiddeling weinig opleveren en een grote meta-analyse van 93 Europese programma’s uit 2008 droeg de veelzeggende titel ‘Activerend arbeidsmarktbeleid is vaak niet effectief.’ Bekijk deze studie hier. Bij maar liefst de helft van alle programma’s werd geen of zelfs een negatief effect gevonden.
De schrijver van het laatste artikel, hoogleraar economie Frank den Butter, moet even grinniken als ik hem vraag wat al die cursussen en trajecten opleveren. ‘Vrijwel niets. Het is een doekje voor het bloeden.’ Als ik het vraag aan Bas van der Klaauw, hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit en dé expert op dit gebied, is het even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Er is vooral veel beleid waarvan we niet weten wat het oplevert.’ Jouke van Dijk, hoogleraar regionale arbeidsmarktanalyse in Groningen, stemt in: ‘Het helpt hoogstens een héél klein beetje. En soms werkt het averechts.' Collega Jan van Ours (hoogleraar arbeidseconomie in Tilburg) vertelt dat hij tijdens zijn colleges graag Nobelprijswinnaar James Heckman mag citeren:
‘Zero is not a bad number.’
De markt kan het beter
Het is niet dat er weinig geprobeerd is. In de afgelopen jaren kwam er van alles voorbij, van Melkertbanen tot werkcoaches, van intensieve trajectbegeleiding tot uitstroompremies. Maar vrijwel niets is fatsoenlijk geëvalueerd. En als dit wel gebeurde, was het resultaat meestal negatief. In 2001 verscheen een rapport van het ministerie van Sociale Zaken met de conclusie: ‘Scholingsinstrumenten (…) blijken niet erg effectief bij de reïntegratie van werkzoekenden.’ Bekijk de evaluatie hier. De ambtenaren pleitten in het rapport voor meer onderzoek. Tevergeefs.
In plaats daarvan werd een groot deel van de reïntegratie-industrie geprivatiseerd. ‘Alles moest aan de markt worden overgelaten,’ vertelt Van der Klaauw. ‘Die zou het allemaal beter kunnen.’ Maar al snel deden de gekste verhalen de ronde, van werklozen die onder begeleiding van een reïntegratieconsulent wekelijks een rondje om de Amsterdamse Sloterplas moesten wandelen, tot werklozen die aan hun zelfvertrouwen werkten met pony’s. Een enkel reïntegratiebureau maakte zelfs gebruik van tarotkaarten. Het toppunt waren de ‘Vier van Vier Miljoen,’ uit Oost-Groningen. Inderdaad: vier werklozen die voor vier miljoen aan een baan waren geholpen. Zembla maakte hier een reportage over.
‘Er zijn een paar mensen heel rijk van geworden,’ zucht Van der Klaauw. ‘Maar de effectiviteit lijkt er door privatisering niet op te zijn vooruitgegaan.’ Sterker nog, in 2010 ontdekte de hoogleraar samen met zijn collega Stephen Kastoryano dat deelname aan een commercieel reïntegratietraject (kosten: 4.000 euro) de werkloosheid verlengt. In zijn oratie concludeert hij droogjes dat het ‘niet absurd is om te veronderstellen dat werklozen zelf een veel beter idee hebben over welk werk geschikt is.’
En nu?
Eigenlijk zouden er ‘randomized controlled trials’ Lees hier mijn stuk over hoe deze methode bij ontwikkelingshulp wordt toegepast. moeten plaatsvinden, waarbij een willekeurig samengestelde groep de ‘behandeling’ krijgt (een sollicitatietraining bijvoorbeeld) en een vergelijkbare controlegroep met rust wordt gelaten. Alleen dan kun je zien of een interventie effectief is geweest.
Maar helaas, slechts vier van de 93 programma’s uit de metastudie van professor Den Butter had een controlegroep, en uit drie daarvan bleek dat het beleid ineffectief was. De laatste keer dat een Nederlands programma met een gerandomiseerd experiment werd geëvalueerd is zestien jaar geleden, in 1998.
Nederlands beleid: geld uitgeven om geld uit te geven
Een beetje gênant is het wel. In een Europese evaluatie van een paar jaar terug lezen we: ‘Nederland heeft geen traditie waarin beleid van begin af aan wordt geëvalueerd. Veel grootschalige programma’s zijn nooit onderzocht. […] Nog opvallender is dat veel beleid geen goed gedefinieerde en onderbouwde doelstelling heeft.’ De Europese evaluatie vind je hier. Volgens de onderzoekers komt het in Nederland ‘niet zelden’ voor dat een programma maar één doel heeft: geld uitgeven.
Het wordt dan ook nog pijnlijker als we het over de kosteneffectiviteit hebben. ‘Je bent al een heel knappe klantmanager als je iemand twee weken sneller aan het werk krijgt,’ vertelt Van der Klaauw. ‘Dan bespaar je zo’n 400 euro. Maar wat kost de begeleiding door de klantmanager?’
In 2008 kwam professor Jouke van Dijk met een bizarre rekensom: de reïntegratie van één langdurig werkloze kost gemiddeld 537.000 euro. Dat zijn meer dan vijftien modale jaarsalarissen. Toenmalig staatssecretaris Ahmed Aboutaleb (Sociale Zaken, PvdA) en zijn partijgenoot, de Amsterdamse wethouder Freek Ossel, reageerden woedend op deze berekening. ‘Mensen moeten een taaltraining doen, van hun verslaving worden afgeholpen en zelfvertrouwen opbouwen,’ brieste de laatste. ‘Dat zijn trajecten van jaren, die forse investeringen vergen en je hebt geen garantie dat het lukt.’
Maar hoeveel mag het kosten?
Professor Jan van Ours heeft zijn conclusies getrokken. ‘[Dit is] het blind offeren van miljarden euro’s op het altaar van het actieve arbeidsmarktbeleid.’ Dat concludeert hij in dit artikel. En het treurige is: sinds 2008 is de uitstroom van reïntegratietrajecten naar betaald werk nog verder afgenomen. Zie deze cijfers van het CBS. De Rekenkamer hamerde er bij de begroting van vorig jaar op dat het nu eindelijk eens tijd werd voor een fatsoenlijke evaluatie. In de droge taal van de rekenmeesters: ‘De minister kan nog niet voldoende inzichtelijk maken wat het effect is van de uitgaven voor reïntegratieactiviteiten.’ Zie het commentaar van de Rekenkamer hier.
Toch is er ook goed nieuws. Na een motie van de SP en de VVD is er in 2012 zowaar een groot experiment gestart waarbij in zeven gemeenten allerlei vormen van activerend beleid worden onderzocht. Mét controlegroepen. Het enige probleem: de resultaten hadden er begin 2013 al moeten zijn. Een woordvoerder van het Ministerie van Sociale Zaken meldt dat het nog wel een paar maanden kan duren.
Speeltjes voor politici
Eén vraag blijft moeilijk te beantwoorden: waarom besteden we al jarenlang miljarden aan beleid dat niet of nauwelijks helpt?
Misschien heeft het iets met de perceptie van werkloosheid te maken. Zelfs nu bijna 700.000 mensen zonder werk zitten, (en het getal ligt veel hoger, SH)wordt de oplossing bij het individu gezocht. Geloofden we vroeger nog in de maakbaarheid van de samenleving, nu is er het maakbare individu. Er is een politiek verbond rondom ontstaan. Links wil werklozen zoveel mogelijk ondersteunen, rechts wil ze zo snel mogelijk van hun uitkering afhelpen.
Wat ook meespeelt: politici willen gewoonweg iets doen, of het nu helpt of niet. Een paar maanden geleden lanceerde minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) een nieuw actieplan: ‘55PlusWerkt.’ Budget: 39 miljoen euro. Ongeveer 45.000 werkloze senioren krijgen een ‘netwerktraining’ waarbij ook hun ‘sollicitatie- en presentatievaardigheden’ worden opgepoetst. Een controlegroep is er niet, dus of het project effect sorteert zullen we nooit weten.
Er is wel een donkerbruin vermoeden.
‘Sommige mensen vinden dat je niet mag experimenteren met werklozen,’ zegt prof. Van der Klaauw. ‘Maar dat doen we al jaren, alleen leren we er niets van.’ Bij vlagen klinkt de hoogleraar cynisch. ‘Politici willen gewoon hun speeltjes. Als de werkloosheid straks daalt, roepen Klijnsma en Asscher dat het door hun beleid komt. Zonder enig bewijs.’ Collega-hoogleraar Jan van Ours stemt in: ‘Politici zijn niet geïnteresseerd in de effectiviteit van hun beleid. Ze zeggen liever: 'Kijk, ik heb 100 miljoen uitgegeven. Zie je wel dat ik iets doe?'' Frans Leeuw, hoogleraar sociologie in Maastricht, heeft hier eens een mooie term voor bedacht: beleidshomeopathie.
Neem de poging van Mirjam Sterk, ‘ambassadeur jeugdwerkloosheid’, om 10.000 jongeren in vijf weken aan een baan te helpen (via uitzendbureau Randstad). Het werden er 8.281. ‘Die banen waren er zonder haar ook gekomen,’ schampert Jouke van Dijk. ‘Maar ja, nietsdoen is geen optie hè?’ Teken aan de wand: Randstad wilde niet zeggen hoeveel jongeren het normaliter aan een baan helpt. Arbeidseconoom Ronald Dekker rekende het daarom zelf maar uit: ongeveer 20.000 per maand. Het waren dus relatief slechte weken geweest bij Randstad, maar de actie van Mirjam Sterk was goede reclame voor het uitzendbureau en het kabinet.
Drie opties
Rest de vraag: van welk beleid weten we dat het wél werkt?
Wie zich door de (internationale) onderzoeken Zie bijvoorbeeld deze evaluatie. van de afgelopen jaren worstelt, komt drie standaardopties tegen. De eerste is de confrontatie. Zo worden Deense werklozen bij elkaar gezet in zogenoemde ‘meetings’ om elkaar te vertellen over hun werkloze bestaan. ‘Het is behoorlijk confronterend om de hele dag te luisteren naar mensen zonder werk,’ vertelt Van der Klaauw. Dan liever aan de bak, redeneren veel mensen.
Sterker nog, hoe verder iemand naar zo’n ‘meeting’ moet reizen, hoe groter de kans dat hij aan het werk gaat. Een korting op de uitkering voor iedereen die niet hard genoeg naar werk zoekt, kan ook helpen. De dreiging is vaak al genoeg, maar er is wel een nadeel: gestrafte werklozen accepteren vaker werk onder hun niveau.
De tweede optie is de loonkostensubsidie, en dan met name voor banen in de private sector. In dit geval betaalt de overheid een deel van het loon. Er is aardig wat bewijs dat het werkt, al moet er wel worden opgelet dat er geen banen worden gesponsord die sowieso wel gecreëerd zouden worden. Subsidieverslaving ligt op de loer.
Tot slot kan scholing werken, mits aan heel wat voorwaarden wordt voldaan. Dan heb ik het niet over wandelingetjes om de Sloterplas, maar over het trainen van vaardigheden waar daadwerkelijk vraag naar is. Een kortdurende training die helpt bij het vervullen van een vacature - liefst al meteen in samenwerking met een potentiële werkgever - levert soms een goed resultaat op.
Maar geen illusies: uiteindelijk zijn de economische groei, het begrotingsbeleid en de technologische veranderingen veel belangrijker bij de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Voor de drie bovenstaande opties geldt dat we het over hoogstens een paar procent extra baankans hebben. Dat blijkt ook uit deze overzichtsstudie van onderzoeksbureau SEO. Succes is nooit gegarandeerd. Iedere regio is anders, net als iedere periode en iedere werkloze. Van Ours stelde in de jaren negentig voor om bij elke beleidsmaatregel 1 procent van het budget te reserveren voor de (wetenschappelijke) evaluatie. Dat lijkt hem, twintig jaar na dato, nog steeds een goed idee.
Banenplan
Vorig jaar maakte Asscher bekend dat hij nog eens 600 miljoen uittrekt voor een extra ‘banenplan’. Het ministerie van Sociale Zaken publiceerde vervolgens een ‘menukaart' Bekijk de menukaart hier. van maatregelen waar werkgevers subsidie voor kunnen aanvragen.
Trefwoorden: arbeidsbemiddeling, transitiefonds, transfercentrum, sollicitatietraining, coaching, loopbaancheck- en advies en gezondheidsverbetering.
Effectiviteit: onbekend.
Toch stond er een lichtpuntje op het menu. Want wat lezen we daar, helemaal onderaan: ‘Om te weten wat werkt en wat niet, is soms onderzoek nodig en moeten experimenten worden uitgevoerd.’
En ja, ook daar kan subsidie voor worden aangevraagd.
Zie ook het stuk "Meer bewijs waarom 'activerend arbeidsbeleid' niet werkt"van Jesse Freriks van de Correspondent.
dinsdag 20 mei 2014
Hoogleraar Frans Nijhuis: “Een succesvolle Participatiewet levert naast banen ook gewoon geld op”
Om Wajongers en anderen met een achterstand op de arbeidsmarkt aan de slag te helpen, is het belangrijk dat bestaande functies worden aangepast. Dit is de rode draad in een recent gepubliceerde inleiding van Frans Nijhuis, bijzonder hoogleraar Inclusieve Arbeidsorganisaties (Atlant Leerstoel, zie eerder bericht).
De lage arbeidsparticipatie van deze groepen wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door hoe functies in het bedrijfsleven worden gecreëerd en steeds complexer zijn geworden. Functies moeten meer worden toegesneden op de kwaliteiten en mogelijkheden van het individu (jobcarving). Dit sluit al aan bij de ontwikkeling dat mensen hun werk zelf al actief afstemmen op hun eigen willen en kunnen (jobcrafting). Als bedrijven daar beter op inspelen, zo stelt Nijhuis, kunnen zij de duurzame inzetbaarheid van hun huidige en toekomstige werknemers, ook die met beperking of aandoening, bevorderen en ontstaan nieuwe banen.
Er kan en moet een win-win situatie worden gecreëerd, waarbij enerzijds de maatschappelijke noodzaak wordt gevoeld om zoveel mogelijk mensen aan de arbeidsmarkt te laten deelnemen en anderzijds de vraag van de werkgever naar (productieve) arbeid wordt beantwoord. “Het succes van de Participatiewet is niet alleen een kwestie van maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar ook van economische winstgevendheid. Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aannemen, moet de werkgever uiteindelijk ook gewoon geld opleveren”, aldus Nijhuis.
Bron: Cedris
Regionale arbeidsmarkt leidend bij verdeling budgetten Participatiewet
Regionale arbeidsmarkt leidend bij verdeling budgetten Participatiewet
Geplaatst op 16 mei 2014, bron: De normaalste zaak
Er is een nieuw model ontwikkeld voor de verdeling van de budgetten voor de Participatiewet onder gemeenten. Dit schrijft staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vandaag aan de Tweede Kamer.
Participatiebudget
In het zogenoemde participatiebudget worden de beschikbare middelen voor zowel de Wsw als voor re-integratietrajecten gebundeld. Staatssecretaris Klijnsma vindt het belangrijk dat bij de verdeling van dit budget rekening wordt gehouden met de regionale arbeidsmarkt en het aantal mensen met een arbeidsbeperking. Daarmee wordt recht gedaan aan de situatie in economisch zwakkere regio’s. Om grote herverdeeleffecten ten opzichte van de huidige systematiek te beperken worden de budgettaire veranderingen niet in één keer, maar over een periode van drie jaar doorgevoerd.
Verdeling van de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies
Voor de verdeling van de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies kiest de staatssecretaris voor het zogeheten multiniveau-model. Dit door het Sociaal en Cultureel Planbureau ontwikkelde model betrekt zowel de kenmerken van de huishoudens (zoals leefvorm, leeftijd, wel of geen koopwoning, niet-westerse achtergrond en opleiding) als de kenmerken van een wijk, gemeente en regio bij het vaststellen van de budgetten. Op basis van deze kenmerken wordt uiteindelijk de hoogte van het bedrag per gemeente vastgesteld.
Sinds de invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 zijn gemeenten financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet.
Om de herverdeeleffecten die met de overgang naar een nieuw model gepaard gaan te beperken en de financiële gevolgen voor gemeenten beheersbaar te houden heeft de staatssecretaris na overleg met de VNG tot een overgangsregime besloten. De eerste twee jaar worden de budgetten nog voor de helft vastgesteld op basis van uitgaven in het verleden en voor de helft op basis van het nieuwe model. In het derde jaar wordt 75 % op basis van het nieuwe model berekend, en vanaf het vierde jaar wordt het budget daar helemaal op gebaseerd. Na twee jaar vindt een evaluatie plaats.
Staatssecretaris Klijnsma zal vanuit het oogpunt van financiële beheersbaarheid een vangnet-regeling maken. In overleg met de VNG zal zij de opzet van deze regeling verder uitwerken.
Het gekozen multiniveau-model was één van de vier voorliggende opties (voor de verdeling van de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies) die in overleg met de VNG nader is uitgewerkt. De ontwikkeling van de nieuwe verdeelmodellen is begeleid door een commissie waarin naast de VNG onder andere ook enkele gemeenten vertegenwoordigd waren.
De modellen zijn vervolgens beoordeeld door Berenschot, prof. dr. Allers, hoogleraar economie van de decentrale overheden, en de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv). Gemeenten hebben onder meer tijdens een bestuurlijke conferentie hun opvattingen gegeven over de verschillende modellen.
Toekenning budgetten
De definitieve budgetten voor wat betreft de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies worden voor 1 oktober bekendgemaakt. De bedragen per gemeente voor het participatiebudget worden in juni gepresenteerd.
Bekijk de kamerstukken:Kamerbrief ‘Verdeelmodel inkomensdeel en participatiebudget vanaf 2015′
zaterdag 10 mei 2014
Social enterprises innovatieve koplopers en aanjagers van economische groei
PERSBERICHT
Sociaal ondernemers vervullen een belangrijke rol binnen de MKB-sector waar het innovaties betreft.
Bijna de helft van de social enterprises in Nederland heeft een innovatieve dienst of product in de markt gezet, dat bovendien primair gericht is op het
aanpakken van maatschappelijke problemen. Dat blijkt uit de Social Enterprise Monitor 2014 die vandaag werd uitgebracht door Social Enterprise NL i.s.m. McKinsey.
Het is het grootste onderzoek naar de social enterprise sector in Nederland.
Social enterprises blijken tevens een enorme aanjager voor economische groei. Zo blijkt uit de Social Enterprise Monitor 2014 dat de werkgelegenheid in deze
sector met 12 % is gegroeid in 2013, een opvallend cijfer afgezet tegen de trend van het MKB waar juist sprake is van een sterke daling van de werkgelegenheid.
Ook de omzet van 79% van de social enterprises is gegroeid en nagenoeg alle ondervraagde sociaal ondernemers verwacht de komende jaren nog verder te groeien.
Minister Kamp erkent de slagkracht van deze sociaal ondernemers, in een reactie op de beleidsagenda van Social Enterprise NL zei hij vorige maand:
“Het kabinet is om verschillende redenen betrokken bij sociaal ondernemerschap in Nederland en moedigt de verdere ontwikkeling daarvan aan.
Sociale ondernemingen dragen bij aan maatschappelijke vernieuwing en bieden innovatieve oplossingen voor complexe vraagstukken rond gezondheid(szorg),
veiligheid en leefbaarheid, arbeidsparticipatie, voedsel- en energievoorziening etc.”
Het grote aantal innovaties is onder andere te verklaren door de aard van social enterprises. Ze zoeken nieuwe, zelfredzame oplossingen voor bestaande
maatschappelijke problemen en voelen hierdoor een urgentie om te innoveren en om vernieuwende producten en diensten te ontwikkelen.
Willemijn Verloop (oprichter van Social Enterprise NL): “Social enterprises zijn koplopers op weg naar een nieuwe economie, ze bewijzen dat een maatschappelijk probleem
oplossen en geld verdienen samen kunnen gaan.
Dit doen ze door met innovatieve producten en diensten duurzame oplossingen te bieden voor maatschappelijke problemen zoals milieuvervuiling,internationale armoedebestrijding, en de arbeidsparticipatie van kwetsbare groepen.”

Sociaal ondernemers vervullen een belangrijke rol binnen de MKB-sector waar het innovaties betreft.
Bijna de helft van de social enterprises in Nederland heeft een innovatieve dienst of product in de markt gezet, dat bovendien primair gericht is op het
aanpakken van maatschappelijke problemen. Dat blijkt uit de Social Enterprise Monitor 2014 die vandaag werd uitgebracht door Social Enterprise NL i.s.m. McKinsey.
Het is het grootste onderzoek naar de social enterprise sector in Nederland.
Social enterprises blijken tevens een enorme aanjager voor economische groei. Zo blijkt uit de Social Enterprise Monitor 2014 dat de werkgelegenheid in deze
sector met 12 % is gegroeid in 2013, een opvallend cijfer afgezet tegen de trend van het MKB waar juist sprake is van een sterke daling van de werkgelegenheid.
Ook de omzet van 79% van de social enterprises is gegroeid en nagenoeg alle ondervraagde sociaal ondernemers verwacht de komende jaren nog verder te groeien.
Minister Kamp erkent de slagkracht van deze sociaal ondernemers, in een reactie op de beleidsagenda van Social Enterprise NL zei hij vorige maand:
“Het kabinet is om verschillende redenen betrokken bij sociaal ondernemerschap in Nederland en moedigt de verdere ontwikkeling daarvan aan.
Sociale ondernemingen dragen bij aan maatschappelijke vernieuwing en bieden innovatieve oplossingen voor complexe vraagstukken rond gezondheid(szorg),
veiligheid en leefbaarheid, arbeidsparticipatie, voedsel- en energievoorziening etc.”
Het grote aantal innovaties is onder andere te verklaren door de aard van social enterprises. Ze zoeken nieuwe, zelfredzame oplossingen voor bestaande
maatschappelijke problemen en voelen hierdoor een urgentie om te innoveren en om vernieuwende producten en diensten te ontwikkelen.
Willemijn Verloop (oprichter van Social Enterprise NL): “Social enterprises zijn koplopers op weg naar een nieuwe economie, ze bewijzen dat een maatschappelijk probleem
oplossen en geld verdienen samen kunnen gaan.
Dit doen ze door met innovatieve producten en diensten duurzame oplossingen te bieden voor maatschappelijke problemen zoals milieuvervuiling,internationale armoedebestrijding, en de arbeidsparticipatie van kwetsbare groepen.”

Voorbeelden innovaties door social enterprises
Sociaal ondernemers bestrijken een zeer breed spectrum van sectoren waardoor deze innovatieve spelers vaak niches vormen in de bestaande markt. Social enterprise Autitalent is een bedrijf dat uitgaat van de kracht van autisten, ze bieden banen op het gebied van digitalisering en administratie aan mensen met een vorm van autisme.Fairphone is een bedrijf dat de eerste eerlijke smartphone ontwikkelde en op de markt bracht.
Deze smartphones zijn vrij van kinderarbeid en bestaan uit gerecyclede en conflictvrije materialen. De eerste 25.000 telefoons zijn vorig jaar in gebruik genomen en de productie gaat door.
Zorgvoorelkaar.com speelt in op teruglopende budgetten in de zorg door vraag en aanbod in de (informele) zorg te matchen, hierdoor zijn inmiddels bijna 8.000 professionals en vrijwilligers aangemeld en ruim 4.500 hulpvragen geplaatst.Al deze innovatieve businessmodellen leveren direct impact aan de maatschappij.
Zie voor de monitor: Social enterprise
Abonneren op:
Posts (Atom)